Geen tijd! | Giorgio Locatelli | De Wintertuin | Klassieke Kip | Het paard Windje | Dineren van het dashboard
WINDJE

Eens, lang geleden, reed ik paard. Geen Arabier, natuurlijk, maar een stoere knol die een bevriende amazone voor haar en mij leende van een boer in het westen des lands. Het dier woonde nabij een klein stationnetje. ’s Morgens in de vroegte stapten we gnuivend de stal in, met een ritje langs de duinrand in het vooruitzicht.Het was een groot paard, schofthoogte 1.75 m. Om het zadel te bereiken had ik minimaal twee bierkratjes nodig, waarbij het erg hielp als de bevriende amazone aan mijn overgestoken been sjorde, tot ik eindelijk zat. Maar dan! Het scheen of de paardenrug voor me gemaakt was. Ofschoon allesbehalve lenig beschikte ik in het zadel, tot mijn eigen verbijstering, over een natuurlijke zit. Nee, eerlijk! De hemel mag weten hoe, maar ik pikte de deinende bewegingen van het dier als vanzelf op. En dat met ‘rug recht, knieën in, tenen naar buiten.’ Geweldig. Ik bezag de wereld vanaf een respectabele hoogte, ging lekker naar paard ruiken en voelde me de koning te rijk. Het afstijgen was voor mijn stijve lijf weer een duivelse klus, maar de ervaring beklijfde. Lang.
Van meer paardrijden dan enkele uren is het helaas nooit gekomen. Maar ik snap sindsdien de fascinatie die paardenliefhebbers voor het edele dier hebben. Ook van die bejaarde buurman in mijn dorp, die koste wat kost een Bels wilde bezitten. Plus een knappe kar erachter. Bij een regionaal paardenfestijn zag hij zijn kans schoon, schafte een schitterende open, zwarte wagen aan en een tonnen wegende koudbloedknol met de lieflijke naam Larissa.

Spectaculaire paukenslagen en trombonesolo’s
Eén ritje, dat wat het. Toen moest hij wegens gezondheidsredenen opgeven. De kar werd gestald en het paard ook. Althans, ’s winters. ’s Zomers stond Larissa in een wei met twee andere paarden, waar ze haar traptechniek zodanig perfectioneerde dat ze haar weidegenoten voor het leven blesseerde. Larissa’s lot was het om alleen te blijven.
Tot wij haar buurwei in gebruik namen, daar dagelijks in de moestuin werkten en er onze ganzen onderbrachten. Het schonk Larissa enig gezelschap, en ons enorm plezier. Bijvoorbeeld wanneer ze wit bedauwd opdoemde uit novembernevels, of ‘s zomers ruggelings rolde en rolde en rolde, met vier benen in de lucht. Of wanneer ze in een dolle bui een rondje van de zaak gaf, dreunend langs het weidehek. En als ik eens een verlaten vogelnest vond, was dat dikwijls kamerbreed gestoffeerd met het vlassige winterhaar dat Larissa in plukken verloor.
Ook in de lente had ik schik in haar. Juist dan – genietend van fris, eiwitrijk gras – gaf ze haar concerten ten beste. Onmiddellijk was haar echte naam vergeten en haar bijnaam beklonken: Windje. Spectaculaire pauzenslagen of ongelooflijk lang doorreutelende trombonesolo’s verlieten haar achterwerk. Menig theeuurtje in onze tuin werd vergezeld van Windjes concerten wanneer ze kwam aansjokken om ons te bekijken. Of om de ganzen te monsteren, die haar volle aandacht kregen. Of vanwege de worteltjesregen die ik op gezette tijden vanuit de moestuin liet neerdalen in de ganzenwei. En in de hare.
Opeens, echter, was ze weg. Waar naartoe weet ik niet. Maar voorgoed. Helaas. Haar wei werd omgeploegd tot aardappelland. Het ěs dat het land en de middelen mij ontbreken, anders had Wind beslist bij ons mogen wonen, om eens lekker te werken of te draven, waar ze volgens mij erge zin in had. Bovendien hadden we haar dan direct een metgezel gegeven. En stel dat zo’n dier eenzelfde krachtige darmfunctie had als Windje, dan was het een eitje geweest een naam te verzinnen. Storm of Bries schieten me spontaan te binnen.
home | contact | colofon | disclaimer